Rijk aan afval.
JAMES HOWELLS. — RIJK AAN AFVAL. Even samen met je vriendin het huis opruimen. Wat kan er misgaan? Nou, bijvoorbeeld een harde schijf met duizenden bitcoins bij het grofvuil zetten. James Howells deed het. Vervolgens wilde hij een complete vuilnisbelt afgraven en uiteindelijk zelfs kopen om zijn verloren fortuin terug te vinden. Wat begon met een grote schoonmaak, eindigde in een jarenlange obsessie met een berg afval. Want sommige mensen kunnen werkelijk alles loslaten. Behalve geld. De bitcoins verdwenen. De hebzucht bleef.
JAMES HOWELLS EN HET GROOTSTE STORTPLAATS-SPROOKJE TER WERELD
Soms krijg je een verhaal voorgeschoteld waarvan je direct denkt: dit kan niet waar zijn. En juist daarom is het vermoedelijk waar. Neem James Howells. Een man uit de categorie techneut, computernerd, digitale goudzoeker en vermoedelijk iemand die ooit met liefde kabels heeft gesorteerd op kleur, lengte en emotionele waarde.
James besloot ooit zijn huis op te ruimen. Niet alleen. Nee, samen met zijn vriendin. Dat is al het eerste alarmsignaal. Want samen opruimen klinkt gezellig, maar is in werkelijkheid vaak niets anders dan een relationele test vermomd als huishoudelijke activiteit. De één vraagt: “Kan dit weg?” De ander antwoordt niet goed genoeg. En voor je het weet ligt de halve geschiedenis van je bestaan in een vuilniszak.
Resultaat: huis schoon.
Sterker nog: iets té schoon.
Tussen de gebruikelijke rommel, oude kabels, kapotte apparatuur en andere troep verdween namelijk ook iets dat nét iets meer waarde vertegenwoordigde dan een verlopen afstandsbediening of een stoffige computermuis. Een harde schijf. Niet zomaar een harde schijf, maar eentje waarop een flinke lading bitcoin stond opgeslagen. Digitale muntjes die in betere tijden nog een hobby leken, maar later veranderden in een schatkist waar menig bankdirecteur ongemakkelijk van zou gaan zweten.
Weg.
Bij het grofvuil.
Keurig afgevoerd.
Zo zie je maar: de weg naar financiële ondergang begint soms heel onschuldig, met de woorden: “Ruim die troep nou eens op.”
Vanaf dat moment veranderde James van een man die iets was kwijtgeraakt in een man met een missie. Een man die het plaatselijke stort wilde afspeuren en, als het even kon, vakkundig openleggen alsof er ergens diep onder de smurrie een digitale farao begraven lag. Het probleem? De overheid had daar net iets minder zin in. Blijkbaar zitten gemeentes er niet op te wachten als iemand met glazige ogen en bitcoinvisioenen roept dat hij even door duizenden tonnen afval wil ploegen op zoek naar zijn verloren fortuin.
En geef ze eens ongelijk.
Er zijn al genoeg mensen die hun leven vergooien aan illusies. Daar hoeft een gemeentelijke afvalberg niet ook nog eens een decor voor te worden.
Maar James gaf niet op. Natuurlijk niet. Hebzucht geeft zelden op. Waar een gezond mens op enig moment denkt: “Het is weg. Klaar. Einde verhaal,” denkt de bezetene: “Misschien ligt mijn rijkdom onder zes meter verrotte matrassen, luiers, asbestresten en regenwater.”
Op een gegeven moment wilde hij het stort zelfs kopen.
Kopen.
Laat die even binnenkomen.
Een vuilnisbelt. Aanschaffen. Alsof het hier om een charmant vakantiehuisje in Zuid-Frankrijk gaat met wat achterstallig onderhoud en een mooi uitzicht. Nee, een stortplaats. Vol troep. Vol rotzooi. Vol oud afval. En meneer dacht: misschien kan ik dit gewoon overnemen.
Dat is het moment waarop de rest van de wereld had moeten zeggen: James, ouwe jongen, als jij serieus een vuilnisbelt wilt kopen, dan heb je ergens nog een tweede harde schijf liggen. Of op zijn minst genoeg ander geld over om deze hele wanvertoning als hobbyproject te financieren.
Want laten we wel wezen: iemand die financieel volledig aan de afgrond hangt omdat zijn bitcoinbezit verdwenen is, gaat doorgaans niet over tot het opkopen van complete stortplaatsen. Dan zoek je eerst in je broekzak. Dan verkoop je desnoods een fiets. Maar niet: “Weet je wat, ik neem gewoon de hele afvalberg erbij.”
Er zit iets aandoenlijks in. En iets tragisch. En vooral iets buitengewoon leerzaams.
Want wat James Howells in feite laat zien, is niet alleen pech. Het is ook de klassieke val van GELD. De verleiding. De fixatie. Het onvermogen om los te laten wat ooit misschien van jou was, maar nu allang een eigen leven leidt. En bitcoin leent zich daar perfect voor: ongrijpbaar, onzichtbaar, abstract en daardoor ideaal projectiemateriaal voor alles wat een mens niet kan verkroppen.
Misschien ligt die harde schijf daar nog. Misschien ook niet. Misschien is hij allang verbrijzeld, verroest, verpletterd, doorweekt, aangetast en opgenomen in een compostachtige hel van chemisch afval, modder en verrotting. En stel nu eens dat hij wonder boven wonder nog ergens tussen de vuilniszakken zou liggen, half weggevreten door de elementen — wie zegt dan dat er nog iets bruikbaars van over is?
Waarschijnlijk dansen die bitcoins inmiddels voor eeuwig vrij rond op de blockchain. Onbereikbaar, onaantastbaar, oninbaar. Alsof ze James vanaf grote afstand vriendelijk toeknikken en zeggen: “Je had ons even. Heel even.”
En daar zit nu precies de moraal.
Niet in bitcoin. Niet in techniek. Niet in pech.
Maar in hebzucht.
In het niet kunnen stoppen.
In het blijven najagen van iets dat je allang kwijt bent, terwijl je diep vanbinnen vermoedelijk weet dat het nooit meer terugkomt.
GELD maakt zelden rustig. Het belooft vrijheid, maar veroorzaakt opvallend vaak het tegenovergestelde: fixatie, stress, dwang, fantasieën, controledrang en vooral een hardnekkige onwil om de realiteit onder ogen te zien. En hoe groter het denkbeeldige bedrag, hoe kleiner de kans dat iemand nog normaal kan nadenken.
James zocht geen harde schijf meer.
James zocht zijn verloren toekomst.
Zijn gemiste rijkdom.
Zijn ‘wat als’.
En precies dáár gaat het mis.
Want wie te lang achter verloren geld aan blijft lopen, merkt vaak te laat dat niet alleen het geld verdwenen is, maar ook de rust, de nuchterheid en het vermogen om te zien wanneer iets gewoon voorbij is.
Misschien is dat nog wel het duurste verlies van allemaal.
GELD.
Schaarste is zelden financieel.